Gezinsstaten van Cornelis Petrus Storimans
(zie ook de toelichting)
Cornelis Petrus
Storimans
gedoopt op dinsdag 27 februari 1776 te Oisterwijk
zoon van Petrus Storimans en Geertrui Lievens
overleden op 12 april 1824 te Nieuwer-Amstel
Cornelis Storimans trouwde op een datum gelegen vóór 12-6-1803 waarschijnlijk te Westbroek (Utr) met Jannetje Versteeg; geboortegegeven over Jannetje Versteeg ontbreken
waarschijn te Westbroek overleden op een datum gelegen vóór 12-6-1803.
Uit dit huwelijk:
1. Joannes (1) Storimans, geboren omstreeks 1802 te Westbroek en gedoopt op 11 mei 1807 te Gagel (bij Utrecht);
overleden waarschijnlijk kort na 11 mei 1807 te Gagel.
Na zijn huwelijk met Jannetje Versteeg trouwt Cornelis Stooriemans op 12 juni 1803 voor de r.k. pastoor te Maarssen met Johanna van Lingen; geboortegegeven over Johanna van Lingen ontbreken;
Johanna van Lingen overlijdt op een onbekende datum in 1827 in het bedelaarsgesticht te Ommerschans.
Uit dit huwelijk:
2. Petronella Storimans, geboren op 3 maart 1804 te Nieuwer-Amstel;
op 55 jarige leeftijd op 6 maart 1859 overleden in de bedelaarskolonie te Ommerschans.
Pieternelletje Storimans trouwt op 13 oktober 1836 te Ommen (waarschijnlijk Ommerschans) met Jacobus Tichelaar; geboren omstreeks 1798, zoon van Gerrijt Tichelaar en Geertruid van Wanting;
Jacobus Tichelaar was bij zijn huwelijk met Pieternelletje Storimans weduwnaar van Christina Kellerman, geboren omstreeks 1804, met wie hij op 5 maart 1826 in het huwelijk trad; Christina Kellerman overleedt op 12 maart 1827, op 23 jarige leeftijd, te Leeuwarden;
Jacob Tichelaar overleed op 6 juli 1858 op ca. 60 jarige leeftijd te Ommerschans
Uit het eerste huwelijk van Jacob Ticchelaar met Christina Kellerman:
1. Geertruida Tichelaar, geboren op 15 januari 1825 te Leeuwarden;
bij haar geboorte ingeschreven als Geertruida Kellerman; bij het huwelijk van haar ouders (5 maart 1826) gewettigd.
Geertruida Tigchelaar trouwt op 16 mei 1857 te Avereest met Johannes Boonstra, geboren in 1818 te Leeuwarden, zoon van Johannes Alberts Boonstra (moeder onbekend);
bij dit huwelijk wordt 1 kind gewettigd.
Uit dit huwelijk:
1. Anna Elisabeth Boonstra, geboren ca. 1858, op 26 november 1909 op 51-jarige leeftijd gehuwd overleden te Leeuwarden.
Uit het huwelijk van Jacob Ticchelaar met Pieternelletje Storimans:
2. Ignatie Gerrit Tiggelaar, geboren op 20 april 1838 te Veenhuizen (Norg), als zoon van Jacobus Tiggelaar en Pieternella Stooimans; op 80-jarige leeftijd op 20 juli 1918 overleden te Arnhem.
Ignatie Gerrit Tiggelaar, zonder beroep, treedt op 44 jarige leeftijd op 10 januari 1883 te Arnhem in het huwelijk met de 23 jarige Maria Hendriks, zonder beroep, geboren in 1860 te Arnhem, dochter van Gerhardus Joannes Hendriks en Helena Span;
Helena Span overlijdt op 26 januari 1935 op 75 jarige leeftijd, te Arnhem.
Uit dit huwelijk:
1. Maria Helena Tiggelaar, geboren in 1883 te Arnhem, op 4 september 1901, op 18 jarige leeftijd te Arnhem gehuwd met Johannis Hendrikus van Leur, arbeider, geboren in 1877 te Dodewaard, zoon van Marianus van Leur en Catharina Kuster.
2. Gerritdina Johanna Tiggelaar, geboren in 1885 te Arnhem; waarschijnlijk ongehuwd gebleven; Gerritdina Johanna Tiggelaar overlijdt op 8 februari 1943 op 58 jarige leeftijd te Arnhem.
3. Johanna Pieternella Tiggelaar, geboren in 1886 te Arnhem, op 3 mei 1905, op 19 jarige leeftijd te Arnhem gehuwd met Hendrik Peijer, arbeider, geboren in 1883 te Arnhem, zoon van Hendrik Peijer en Johanna Adriana Coemans.
4. Wilhelmina Aleida Tiggelaar, geboren in 1887 te Arnhem, op 11 augustus 1909, op 22 jarige leeftijd te Arnhem gehuwd met Hendrik Jan Slendebroek, melkslijter, geboren in 1873 te Arnhem, zoon van Jacobus Slendebroek en Hermanna Pennink.
5. Fransje Tiggelaar, geboren in 1890 te Arnhem, op 5 oktober 1910, op 20 jarige leeftijd te Arnhem gehuwd met Albertus van Beersum, arbeider, geboren in 1889 te Elst, zoon van Wilhelmus van Beersum en Willemina van Heumen.
6. Bertha Tiggelaar, geboren in 1891 te Arnhem, op 21 november 1917, op 26 jarige leeftijd te Arnhem gehuwd met Jacobus Ubing, arbeider, geboren in 1892 te Westervoort, zoon van Geurt Ubing en Everdina Johanna Schoolderman.
7. Ignatie Gerrit Tiggelaar, geboren in 1894 te Arnhem, op 31 maart 1916, blekersknecht, op 22 jarige leeftijd te Arnhem gehuwd met Geertruida Verheijen, geboren in 1894 te Arnhem, dochter van Everhardus Pieter Verheijen en Geertruida Jansen.
Dit echtpaar krijgt in 1918 een kind dat zij, naar vader en grootvader, Ignatie Gerrit Tiggelaar noemen, maar dat kind overlijdt na 9 maanden op 8 januari 1919.
8. Theodora Helena Tiggelaar, geboren in 1896 te Arnhem, fabrieksarbeidster, op 24 november 1920, op 24 jarige leeftijd te Arnhem gehuwd met Gradus Borgers, schoenmaker, geboren in 1893 te Arnhem, zoon van Reinder Borgers en Hermina Gijsberta van Ark;
Theodora Helena Tiggelaar overlijdt op 1 augustius 1951 op 55 jarige leeftijd te Arnhen.
Bij het huwelijk van dit echtpaar wordt 1 kind gewettigd.
3. Cornelis Tiggelaar, geboren 6 februari 1840 te Veenhuizen (Norg) en wegens overlijden op 22 november 1846 in het overlijdensregister van Leeuwarden ingeschreven onder de naam Cornelis Tichelaar; oud 6 jaar.
4. Dorathea Tiggelaar, geboren op 15 juni 1842 Veenhuizen (Norg) en wegens overlijden op 21 juli 1847 in het overlijdensregister van Leeuwarden ingeschreven onder de naam Theodora Tichelaar; oud 5 jaar.
5. Johanna Christina Tiggelaar, geboren op 11 mei 1845 Veenhuizen (Norg);
overleden onder de naam Johanna Christina Tigchelaar in 1846 te Ommen (Ommerschans)
3. Joannes (2) Storimans, geboren omstreeks 1807 te Breukelen;
overlijddatum onbekend.
Joannes (2) Storimans treedt op 31 jarige leeftijd op 1 november 1838 te Bergen op Zoom in het huwelijk met Joanna Christina Katharina Hartzman, geboren op 27 februari 1803 te Bergen op Zoom, dochter van Joannes Hartzman en Anna Frederica Waalwijk;
van dit echtpaar en eventuele kinderen is verder niets teruggevonden.
4. Bernardus Storimans, geboren omstreeks 1807 te Breukelen;
overleden op maandag 7 maart 1814 te Nieuwer-Amstel.
5. Cornelia Storimans, geboren op dinsdag 25 juli 1815 te Nieuwer-Amstel;
overleden in 1828 in het bedelaarsgesticht te Ommerschans; ca. 13 jaar oud.
6. Willem Storimans, op woensdag 13 juni 1821 Nieuwer-Amstel;
overleden op dinsdag 3 december 1822 te Nieuwer-Amstel; bijna anderhalf jaar oud

Over Cornelis/Kees Storimans, zoon van Peter Storimans en Geertrui Lievens, en zijn gezin is meer bekend dan van menig andere Storimans. Dat is onder meer te danken aan de naspeuringen van de heer P. van Schaik, actief betrokken bij de Vereniging Historisch Amstelveen, die in het verenigingsorgaan Amstel Mare, jrg 5, nr 2, 1994, een artikel schreef onder de titel “Enkele grepen uit het dagelijkse leven in de eerste helft van de negentiende eeuw”, waarin hij onder meer gedocumenteerd verslag doet van de lotgevallen van de weduwe van Cornelis Storimans en haar beide dochters, Cornelia en Petronella. Hun wederwaardigheden komen meer uitvoerig terug in: M.D.M. van Munster en P. van Schaik, Arm in Amstelveen, Armenzorg tussen 1750 en 1850, ISBN 90-804649-4-5. Met toestemming van de auteurs is verderop de volledige tekst uit dit boek te lezen (zoals in voorversie welwillend ter beschikking gesteld).

Cornelis Storimans was het vijfde kind van Peter Storimans en Geertrui Lievens , gedoopt op dinsdag 27 februari 1776 te Oisterwijk. Petrus Heijmans en Adriana Maria Otthen zijn zijn doopgetuigen. Petrus Heijmans was, naar alle waarschijnlijkheid, een (achter)neef van Peter Storimans, want de moeder van Peter Storimans heette eveneens Heijmans. Adriana Maria Otthen was waarschijnlijk famile van Geertrui Lievens; twee andere leden van de familie Otthen treden als getuigen op bij de doop van Maria Storimans, een oudere zus van Cornelis Storimans. Op 9 jarige leeftijd (in 1785) verloor Cornelis zijn vader en op 13 jarige leeftijd (in 1789) was hij wees.
Hoe het hem in de opvolgende 8 á 10 jaar is vergaan is niet bekend. Het kan goed zijn dat de 5 kinderen van Petrus Storimans en Geertrui Lievens na het overlijden van hun beide ouders bij hun oom Adriaan Storimans en hun tante Maria Volders in huis zijn gekomen, waar het – net als bij hen thuis – ook al geen vetpot was. Omdat – zoals de heer P. van Schaik weet te melden – Cornelis, later als hij zich in Nes aan de Amstel heeft gevestigd, ‘de schaapherder’ werd genoemd, is het aannemelijk te veronderstellen dat Cornelis in deze periode als herdersjongen op de hei bij Oisterwijk heeft rondgezworven. Voorts is goed mogelijk dat Cornelis zich na de inval van de Fransen in 1794 (hij was toen 18 jaar) bij het patriottenleger heeft aangesloten. Ook zijn vader, Peter Storimans, en grootvader, Willem Storimans, waren immers soldaat geweest. Zijn aansluiting bij het leger zou kunnen verklaren waarom hij rond de eeuwwisseling in de streek rond Utrecht (Breukelen/Westbroek) wordt gesignaleerd om vervolgens enkele kilometers noordelijker in Nieuwer-Amstel/Nes aan de Amstel op te duiken. In 1802 werd dit patriottenleger ontbonden. De voormalige soldaten moesten maar zien hoe zij in hun onderhoud bleven voorzien. Het kan zijn dat hij toen werkzaam is geweest als arbeider bij het ontvenen van het in die tijd moerassig gebied van wat thans het gebied van de Ankeveense en Maarsseveense plassen is.

Dit zijn allemaal gissingen. Nu de harde feiten.

Op 29 maart 1805 stelt het gerecht (schout en schepenen) van Westbroek een akte van indemniteit op ten behoeve van “Joannes, wettige zoon van Kees Storimans en Jannetje Versteeg”. Zo’n akte van indemniteit moest er – net als een borgbrief – voor garant staan dat de armenkas van Westbroek, na verhuizing naar een andere plaats de ondersteuning aan Joannes Storimans, zou blijven betalen, mocht dat nodig zijn; dergelijke akten werden dan ook alleen afgegeven ten behoeve van personen die in het dorp geboren waren. Dat moet dus ook opgaan voor Joannes Storimans. Omdat tevens wordt vermeld dat deze Joannes een wettig kind was, mag als vaststaand worden aangenomen dat Kees Storimans en Jannetje Versteeg eerder met elkaar een wettig huwelijk hadden gesloten. Hun huwelijksdatum zal in elk geval (ruim) vóór 12 juni 1803 hebben gelegen, want op die datum tekent de pastoor van Maarssen in zijn trouwboek het r.k. huwelijk aan tussen Cornelis Stooriemans en Joanna van Lingen. De getuigen bij dat huwelijk waren twee dames die, blijkens dat trouwboek, herhaaldelijk als getuigen bij huwelijken te Maarssen optreden, n.l. Christina van Engelen en Joanna Buys.

Eerst op 11 mei 1807 wordt in het doopboek van diezelfde pastoor in Maarssen aangetekend dat op die datum te Gagel (tussen Westbroek en Utrecht) de doop heeft plaatsgevonden van Johannes Storijmans, zoon van Kees Storijmans en Jannitje Versteeg; getuige Fijtje Versteeg. Onmiddellijk na die vermelding in het doopboek staat de aantekening "Distributa sunt S olea 11 et 12 maji (op 11 en 12 mei het H.Oliesel toegediend)".

De conclusie die zich uit deze gegevens opdringt is dat Kees Storimans en Jannetje Versteeg ergens in 1802 of 1803 met elkaar zullen zijn getrouwd en in een van die jaren hun zoon Joannes op de wereld hebben gezet. Ze hebben dat kind toen niet onmiddellijk laten dopen. Jannetje Versteeg zal niet lang na de geboorte van Joannes zijn overleden. Zoals in die tijd te doen gebruikelijk was heeft de weduwnaar Cornelis Storimans zich onmiddellijk opnieuw op de huwelijksmarkt begeven, teneinde zich te kunnen verzekeren van zorg voor de baby die Jannetje Versteeg achterliet. De nieuwe bruid en nieuwe (stief)moeder van Joannes werd Joanna van Lingen. Bij Joanna van Lingen krijgt Cornelis in 1804 of 1805 eerst zijn dochter Petronella, waarover later meer. De iets oudere Joannes uit het eerste huwelijk met Jannetje Versteeg zal in 1807 ernstig ziek zijn geworden. Omdat ze geen geld hebben om een dokter te betalen – dat is althans de veronderstelling – wenden zij zich tot de pastoor die wellicht door het toedienen van het H. Oliesel nog wat kan uitrichten. De pastoor komt, maar stelt wel als voorwaarde dat de kleine zieke Joannes dan eerst gedoopt moet worden. Vandaar dat Joannes op 11 mei 1807 alsnog wordt gedoopt en aansluitend het H. Oliesel toegediend krijgt. Desondanks gebeurt er geen wonder en – zo is nog steeds de veronderstelling – komt het kind toch te overlijden. Van dat overlijden zijn geen aantekeningen teruggevonden, maar uit een huwelijksakte van 1 november 1838 is wel bekend dat op die dag een omstreeks 1807 geboren Johannes Storimans te Bergen op Zoom in het huwelijk treedt, waarbij als vader en moeder van de bruidegom staan opgegeven Cornelis Storimans en Johanna van Lingen. Cornelis Storimans en Johanna van Lingen hebben dus na de doop op 11 mei 1807 van de toen 3 of 4 jaar oude Joannes, zoon van Cornelis Storijmans en Jannitje Versteeg, nog een tweede Johannes ter wereld gezet; hetgeen aannemelijk maakt dat de eerste Joannes toen dus al was overleden.

Drie maanden na zijn huwelijk op 3 juni 1803 met Johanna van Lingen vraagt Cornelis Storimans op 3 september 1803 in zijn geboortedorp Oisterwijk bij de armenkas aldaar (het Corpus paperium) een borgbrief aan in verband met zijn verhuizing naar Nieuwe-Amstel, waar hij, zoals uit de aantekeningen van P. van Schaik blijkt, eerste als werkman en later als schuitjager de kost verdiende. Op maandag 12 april 1824 wordt aldaar in het bevolkingsregister zijn overlijden opgetekend met de opmerking ‘geboren te Oosterwijk’.

Het bevolkingsregister van Nieuwer-Amstel vangt aan in 1812. Of er tussen 1803 en 1812 nog meer kinderen uit het huwelijk tussen Cornelis Storimans en Johanna van Lingen zijn geboren is niet bekend. Van na 1811 zijn de geboorten geregistreerd van Bernardus Storimans op woensdag 16 februari 1814, van Cornelia Storimans op dinsdag 25 juli 1815 en van Willem Storimans op woensdag 13 juni 1821. Aantekening van wie de ouders van deze drie kinderen Storimans zijn geweest ontbreekt, maar met betrekking tot Cornelia Storimans staat vast dat dit Cornelis Storimans en Johanna van Lingen zijn geweest en met betrekking tot Bernardus en Willem Storimans leidt dit geen twijfel. Bernardus, overleden op maandag 7 maart 1814, blijft 19 dagen in leven en Willem, overleden op dinsdag 3 december 1822, wordt bijna anderhalf jaar. De rond 1807 geboren Johannes (2) Storimans verdwijnt tot 1838 (zijn huwelijksdatum in Bergen op Zoom) uit zicht. Wie overblijven zijn vader Cornelis, moeder Johanna, dochter Petronella en dochter Cornelia. Over hun lotgevallen staat in het bovengenoemde boek van M.D.M. van Munster en P. van Schaik, Arm in Amstelveen, Armenzorg tussen 1750 en 1850, het volgende beschreven:

Lotgevallen van de familie Storimans Wij schetsen een episode uit het trieste leven van de familie Storimans. Het gezin bestond uit man, vrouw en twee dochters. Er moeten nog meer kinderen geweest zijn maar die spelen geen rol in dit verhaal. Vader Cornelis was omstreeks 1764 geboren in het Brabantse Oisterwijk. Hij trouwde later met de veertien jaar jongere Johanna van Lingen. De oudste dochter, Petronella, werd geboren in 1804. Van haar weten we dat ze een beetje scheel keek.

Vader Cornelis stond eerst te boek als werkman, later als schuitjager. Zijn bijnaam was ‘de schaapherder’. Misschien had hij in zijn jeugd met schapen over de Brabantse heide gezworven. Hij had in ieder geval de school niet van binnen gezien, want hij kon lezen noch schrijven. Cornelis overleed in 1824, 59 jaar oud.
Het gezin woonde toen in een hut, opgetrokken uit hout en riet, in de berm van de Amsteldijk bij Schanshoek, even ten noorden van Nes aan de Amstel.

Het ligt voor de hand dat de weduwe met twee dochters, waarvan de jongste toen negen jaar was, moeite had het hoofd boven water te houden.
In maart 1825 werd het gezin dan ook enige tijd bedeeld. In 1826 is er de klacht dat in de Nes zo veel overlast van bedelaars werd ondervonden. Dat volk vond onderdak bij de weduwe Storimans. Een logeerkamer was er niet in de hut, zodat men zich zonder al te veel fantasie kan bedenken wat de omgeving dacht wat zich daar 's nachts allemaal afspeelde. In mei 1826 kwam er opnieuw een klacht over de familie Storimans binnen bij de burgemeester. Wijkmeester C. van Lammeren hoopte op de behulpzame hand van de burgemeester zodat “het nest eens uitgerooyd werd, want het loopt er overheen. Het is buuren last en plaag”. Negen dagen later kwam de wijkmeester er op terug. Hij gaf stem aan de klachten van de buren. Zij vertelden dat het gezin leefde van bedelarij. Meestal werd het jongste kind er op uit gestuurd. Vermoedelijk kreeg zij wel eens wat van de Nesser pastoor. De buren wisten precies hoe het zat: die vrouwen waren te lui om te werken. Zij konden goed spinnen maar dat deden zij niet. De buren hoopten spoedig verlost te zijn van dit lastig gezin "daar wij niet anders als alle slegtigheyd en ongeluk van Brand te wagten hebben." De relatie was kennelijk gespannen.
De klagers werden op hun wenken bediend. Voordat de brief goed en wel op het bureau van de burgemeester lag, werden de drie vrouwen opgepakt en naar een bedelaarsgesticht, de Ommerschans, gestuurd.

Na hun gedwongen vertrek werd er een inventaris opgemaakt, een treurig makende opsomming. Een paar potten en pannen en wat lorren, een tafel en twee stoelen, dat was het zo ongeveer. De vrouwen werden kennelijk niet meer terugverwacht en dat was terecht. Moeder Storimans overleed twee maanden na haar komst in Ommerschans. Dochter Cornelia overleed na twee jaar.
Petronella bleef dus alleen over. Nu zij geen zuster meer had om voor te zorgen, besloot zij te vluchten. Dat lukte in augustus 1828, maar vier maanden later -het was inmiddels winter geworden - hadden zij haar weer te pakken.
In 1832, Petronella zit dan al zes jaar vast, vraagt zij ontslag. Zij deelde mede dat zij wat geld had gespaard, maar het was lang niet voldoende om op eigen benen te kunnen staan. De gemeente Nieuwer-Amstel had al die tijd f 25,- per jaar voor haar moeten betalen en daar wilde men wel eens af van die uitgave. Vanuit het gemeentehuis werd dan ook gunstig geadviseerd.
Petronella kwam vrij, maar dat was vlak voor de winterperiode. Op 23 januari 1833 werd zij bedelend aangetroffen in Zwolle. Zij kwam opnieuw in Ommerschans terecht. Pas op 20 juni 1836 kwam zij weer op vrije voeten. Op verzoek van de burgemeester van Nieuwer-Amstel besloot de gouverneur van Noord-Holland haar vrij te laten, aangezien zij zich vrijwillig, zonder gebedeld te hebben, ter plaatsing had aangegeven, aldus de gouverneur.
Petronella was dus met twee korte onderbrekingen tien jaar opgesloten geweest wegens bedelarij.

Over het vervolg zijn wij slecht ingelicht. Nog in de zomer van 1836 worden er vanuit Hasselt stukken opgevraagd in verband met een huwelijk, maar dat is, daar althans, niet doorgegaan. Laten wij hopen dat zij toch nog wat geborgenheid heeft gevonden.

(Bronnen: HAGA inv. 1287A - 1289, inv. 1348 - 1350, inv. 1487 _ EEE I en II, 4203 - 4240, inv. 4240: 3 juni 1836, 1 augustus 1836, inv. 4214, 26 september 1829, inv. 4217, 5 juli 1830, inv. 4225, 17 juli 1832, inv. 4233, 19 juli 1834, inv. 4242, 28 juni 1837, Oud Archief Ouder-Amstel, inv. 45III.)

In aanvulling op wat P. van Schaik schrijft nog het volgende:

De internering van de weduwe Storimans met haar twee dochters in het bedelaarsgesticht te Ommerschans werd mogelijk op grond van de in 1811, door Napoleon, ingevoerde Franse Code Pénal, Volgens dit wetboek werd bedelarij strafbaar gesteld en omdat er in 1823 bovendien een premie werd uitbetaald aan een ieder die een bedelaar aanbracht, ontkwamen de weduwe en haar beide dochters er niet aan dat ze ook werden opgepakt en naar een bedelaarsgesticht werden overgebracht.
De bedelaarskolonie van Ommerschans was een instelling van in 1818 door generaal Van den Bosch opgerichte 'Maatschappij van Weldanigheid', met als doel verlichting te brengen in de ellendige sociale toestanden van bittere armoede en werkloosheid die als gevolg van de Napoleontische oorlogen waren ontstaan en die velen tot de bedelstaf hadden gebracht.

De Maatschappij stichtte eerst een aantal 'vrije koloniën (Fredriksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord). Dit hield in dat de vestiging in een van die koloniën op vrijwillige basis en met behoud van het gezinsverband plaats vond. In 1820 bleek er naast de vrije koloniën ook behoefte te bestaan aan koloniën die bestemd konden worden voor personen van 'minder zedelijk en goed gedrag'. Daarmee bedoelde men bedelaars en vagebonden in het hele land, maar ook gezinnen die niet bedelden, maar ook niet meer waren op te leiden tot een zelfstandig bestaan. Voor deze categorie behoeftigen was immers geen plaats in de vrije koloniën. Voor het onderbrengen van deze mensen en van vondelingen en weeskinderen, sloot de Nederlandse regering een contract met de Maatschappij van Weldadigheid. Met het oog hierop bouwde de Maatschappij in 1820 in het verlaten fort de Ommerschans een van de grootste gebouwen van het toenmalige Nederland. Het gebouw van zeker 100 bij 100 meter telde twee verdiepingen met een binnenplaats met om het gebouw een smalle gracht en een wal. Delen van de schans werden geslecht en geëgaliseerd zodat er meer ruimte voor gebouwen was. In de Ommerschans werden eerst de kolonisten ondergebracht die zich schuldig maakten aan 'zeedeloosheid', luiheid of brutaliteit, en vervolgens grote groepen bedelaars uit alle provincies.

(afbeelding overgenomen uit de dissertatie van H.G. Roelfsema-van der Wissel, ‘De gezondheidszorg in de Noord-Nederlandse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1818 en 1859’, te vinden op: http://dissertations.ub.rug.nl/FILES/faculties/medicine/2006/h.g.roelfsema.van.de/h2.pdf)

Dat de gezondheidszorg in de Ommerschans beneden peil was – want toevertrouwd aan kwakzalvers, ongediplomeerde heelmeesters of geneesheren met alcoholproblemen – staat beschreven in het proefschrift van mevr. H.G. Roelfsema-van der Wissel. Dat daarnaast het verblijf in de bedelaarskolonie van Ommerschans allerminst een pretje was blijkt onder meer uit het verslag van de reis die Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp in 1823 door de Noorderlijke provincies maken en waarbij zij op 15 juli ook Ommerschans bezoeken:

"...Nadat we de timmerplaats gezien hadden, kwamen wij bij een grote ruime bovenkamer, waar verschillende vrouwen zaten te breien of te spinnen. Van Hogendorp stelde vragen aan een van hen, en hoorde dat zij in Delft gewoond had, waar zij met naaien en breien de kost verdiende. Maar zij had moeten bedelen omdat haar kind ziek was en zij het niet op schoot kon houden terwijl zij werkte. Terwijl zij dit vertelt, plaatst een onderdirecteur zich achter ons en kijkt haar strak in het gezicht. Van Hogendorp is verontwaardigd dat zijn vragen afgeluisterd worden en wil uitproberen of de vrouw hem durft te antwoorden. Hij vraagt waar zij liever was, in Delft of aan de Ommerschans. De vrouw kijkt de onderdirecteur bedeesd aan, slaat de ogen neer en zwijgt. Van Hogendorp dringt aan op een antwoord, waarop zij alleen zegt, dat het goede mensen zijn die boven haar geplaatst zijn. Nu stuift echter de toezichthoudster van de zaal, die ook een koloniste is, naar ons toe en roept uit: `Ik wou dat je het mij vroeg, ik zou wel durven antwoorden.' - `Welnu, waar zou je liever zijn?' - `Wel, daar waar ik vandaan kom, liever dan in dit vervloekt gebouw dat ik wel in de Noordzee wou zien.' Deze woorden van een vrouw die een betere post had die ze misschien door zulke onvoorzichtige woorden zou kunnen verliezen, verbaasde ons en wij waren erdoor getroffen.

... (Nadien) kwamen wij in een benedenzaal, waar een vrouw die zich op het veld overwerkt had, zat te kermen van de pijn en het gesticht te vervloeken. Naast haar zat een uitgeteerd mannetje dat er akelig uitzag. Deze ongelukkige was oppassers in een van de kamers. Zijn voeten waren bevroren door de harde winter en zijn tenen, die men er met nijptangen afgedraaid had, waren nog niet genezen. Omdat hij daardoor voor zijn post ongeschikt was, had hij die verloren en kon niet meer werken en ex conseq geen eten meer kreeg. – Vandaar bezochten wij een andere zaal en troffen er enige vrouwen en kinderen aan. Een van de vrouwen liet ons het ochtend- en avondeten van de kinderen zien. Dat bestaat uit een half commiesbrood, niet veel groter dan twee kadetjes en daarop moesten haar twee spruiten een hele week teren. Ze kermden dan ook van de honger."

Gelet op dit relaas is het niet al te opmerkelijk dat de weduwe Storimans spoedig na haar aankomst in Ommerschans overlijdt. In het overlijdensregister van Ambt Ommen wordt alleen het jaartal van haar overlijdensaangifte (1827) vermeld. Zij wordt bij de vele andere 'slachtoffers' in een naamloos open graf op de begraafplaats van het gesticht begraven, gelegen op de oude verdedigingswal van de zuidelijke omgrachting van de schans. In 1828 ondergaat, dochter Cornelia, dan 12 jaar oud, hetzelfde lot. Ook van haar vemeldt het bevolkingsregister van Ommen Stad alleen 1828 als jaar van haar overlijdensaangifte.

Het vermoeden bestaat overigens dat de weduwe Storimans met haar twee dochters niet rechtstreeks vanuit Nes aan de Amstel in Ommerschans zijn beland, maar maar eerst in een bedelaarsgeschikt in Hoorn zijn ondergebracht. Het bedelaarsgesticht in Hoorn was bestemd voor hoog bejaarden of ernstig zieke bedelaars die niet in staat waren tot werken. Zodra kwam vast te staan dat een daar verblijvende bedelaar ook maar enigszins tot werken in staat was werd die van Hoorn naar de Ommerschans overgebracht. Omdat uit onderzoekingen van de heer Wil Schackmann (zie verderop) blijkt dat in ieder geval Petronella Storimans voor het eerst op 11 of 14 oktober 1827 vanuit Hoorn in de bedelaarskolonie van Ommerschans werd ingeschreven rijst het vermoeden dat toen de weduwe Storimans en haar kinderen in Nes aan de Amstel werden opgepakt hun gezondheid ernstig te wensen overliet, zodat ze eerst naar Hoorn zijn gebracht. Mogelijk leden ze aan t.b.c., een wijdverbreide ziekte toentertijd. Het spoedig overlijden van moeder Johanna en dochter Cornelia in Ommerschans kan er op duiden dat inschattingen van degenen die in Hoorn moetsen oordelen over de geschiktheid om werken voor de moeder en dochter Cornelia te optimistisch zijn geweest.

Dochter, Pietronella, wordt, zoals opgemerkt, voor het eerst op 11 of 14 oktober 1827 in het bedelaarsgesticht te Ommerschans ingeschreven onder 'hoofdnummer' 455. Blijkens het inschrijvingsregister is haar geboorte of doopdatum 3 maart 1804 en was zij bij inschrijving 1 el en 6 palmen lang (In 1827 stond de el officieel voor 1 meter en de palm voor 10 cm; ze zal dus ca. 1,60 m zijn geweest. Dat is annemelijker dan 1x 69 cm en 6 x 2,5 cm = 84 cm, wat de uitkomst zou zijn als de in die tijd nog algemeen gebruikte voor-Napoleontische maateenheden van een el en een palm zou worden gehanteerd); ze had volgens haar signalement bruin haar, blauwe ogen, een spitse neus, een ordinaire mond, een ronde kin en was scheel met een oog. In hetzelfde inschrijvingregister (gegevens Wil Schackmann, bron: Drents Archief, toegang 0137.01, inv.nr. 425, deel F) staat vemeld dat ze op 16 augustus 1828 is gedeserteerd. Nadien moet ze weer zijn opgepakt. Ze verblijft, hoe dan ook, tot aan haar dood in 1859 met tussenpozen in een bedelaarsgesticht. Waarschijnlijk is het zo gegaan dat ze ofwel wegliep ofwel zich, telkens als ze f 25 had bij elkaar gespaard, kon 'vrijkopen', waarna ze vervolgens weer werd opgepakt voor bedelarij of 'zedeloos' gedrag.
Het bevolkingsregister van Ommen Stad maakt melding van het huwelijk op 13 oktober 1836 van Pieternelletje Storimans met Jacob Tichelaar. Volgens deze vermelding is de bruid ca. 32 oud en dochter van Cornelis Storimans en Jannetje van Engelen. De aanwijzing van Jannetje van Engelen als moeder van de bruid berust waarschijnlijk op een vergissing; haar overlijdensakte die in het Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum te Leeuwarden wordt bewaard, vermeldt dat op 12-3-1859 te Ommen Stad aangifte is gedaan van het overlijden op 6-3-1859 te Ommen, kolonie Ommerschans, van Pieternella Storimans, geboren te Amsterdam, dochter van Cornelis Storimans en Johanna van Lingen, weduwe van Jacobus Tigchelaar; leeftijd: 56 jaar.
Jacob Tichelaar, was de zoon van Gerrijt Tichelaar en Geertruid van Wanting. Bij zijn huwelijk met Pieternelletje Storimans is hij 38 jaar oud en weduwnaar van Christina Kellerman. Uit zijn relatie met Christina Kellerman had Jacobus Tiggelaar op 15 januari 1825 te Leeuwarden een dochter, Geertruida genaamd. Geertruida werd aanvankelijk in het bevolkingsregister te Leeuwarden als 'Geertuida Kellerman' ingeschreven, maar bij zijn huwelijk met Christina Kellerman op 5 maart 1826 te Leeuwarden is deze dochter gewettigd en heet zij voortaan Geertruida Tichelaar. Christina Kellerman overlijdt op 12 maart 1827 te Leeuwarden; ze is dan 23 jaar oud. Dochter Geertruida zal toen waarschijnlijk wel bij familie zijn ondergebracht. We zien haar in de burgerlijke stand pas weer terug als ze op 16 mei 1857 te Avereest trouwt met Johannes Boonstra (geboren in 1818 te Leeuwarden, zoon van Johannes Alberts Boonstra;moeder onbekend). Bij dit huwelijk met Johannes Boonstra had ze – zoals dat ook bij haar moeder het geval was – een dochter, Anna Elisabeth, die bij haar huwelijk met Johannes Boonstra wordt gewettigd. Deze dochter Anna Elisabeth Boonstra overlijdt 26 november 1909 te Leeuwarden; 51 jaar oud.
Mogelijk heeft Jacob Tiggelaar het vroegtijdig overlijden van Christina Kellerman en de zorg voor zijn, dochter Geertruida, niet goed kunnen verwerken. Hij komt in elk geval, net als Petronella Storimans, in het bedelaarsgesticht te Ommerschans terecht.
In de periode tussen 1838 en 1845 wonen Jacob Tiggelaar en Piernella Storimans niet langer in Ommerschans, maar in Norg (Veenhuizen). In Veenhuizen was ook een (rijks)bedelaarsgesticht gevestigd, waarvoor men zich vrijwillig kon melden of na rechterlijk vonnis kon worden toegezonden. Vermoed mag worden dat het echtpaar na hun huwelijk de kans heeft gekregen om in Norg/Veenhuizen een nieuw leven te beginnen. Aldaar worden ook hun kinderen geboren: eerst op 20 april 1838 Ignatie Gerrit Tiggelaar, dan op 6 februari 1840 Cornelis Tiggelaar, daarna op 15 juni 1842 Dorathea Tiggelaar en ten slotte op 11 mei 1845 Johanna Christina Tiggelaar. Alleen Ignatie Gerrit Tiggelaar heeft de kinderjaren in Norg/Veenhuizen overleefd en weet aan de dreiging van een levenslang verblijf in de kolonie Ommerschans of een van de andere onvrije bedelaarsgestichten te ontkomen. Hij is 80 jaar als hij uiteindelijk op 20 juli 1918 te Arnhem komt te overlijden. Daaraan was op 10 januari 1883 te Arnhem zijn huwelijk met de 21 jaar jongere Maria Hendriks, (geboren in 1860 te Arnhem, dochter van Gerhardus Joannes Hendriks en Helena Span) vooraf gegaan, alsmede de geboorte van zeven dochters en één zoon. Al deze kinderen overleven en vinden een huwelijkspartner.
Het jongere broertje van Ignatie Gerrit Tiggelaar en zijn twee zussen blijken minder sterk. Cornelis is 6 jaar als hij op 22 november 1846 in het overlijdensregister van Leeuwarden wordt ingeschreven onder de naam Cornelis Tichelaar. Dorathea Tiggelaar is 5 jaar als op 21 juli 1847 in datzelfde register onder de naam Theodora Tichelaar wordt ingeschreven en van Johanna Christina is alleen bekend dat ze als Johanna Christina Tigchelaar in 1846 te Ommerschans komt te overlijden; dus niet ouder dan 1 jaar. Uit het gegeven dat voor Joanna Christina vaststaat dat ze in het bedelaarsgesticht te Ommerschans kwan te overlijden, terwijl de twee ander kinderen later overlijden, mag worden geconcludeerd dat aan het verblijf van Jacob Tiggelaar en Pierternella Storimans in Norg/Veenhuizen rond 1845 een einde komt. Ze komen dan terug in Ommerschans, waar uiteindelijk eerst Jacob op 6 juli 1858 komt te overlijden en vervolgens acht maanden later, op 12 maart 1859, Petronella. Het einde van een leven vol ontberingen.

Voor wie meer wil weten over het leven in de kolonies van de Maatschappij van Weldadigheid is het boek van Wil Schackmann, "De Proefkolonie, Vlijt, vaderlijke tucht en het weldadig karakter onzer natie", Amsterdam, 2006, ISBN: 9789045848549, een aanrader. Bij dit boek hoort een website www.deproefkolonie.nl, die ook op zichzelf staand alleszins de moeite waard is.

Van Johannes (2) Storimans, de rond 1807 geboren zoon van Cornelis Storimans en Johanna van Lingen, is alleen bekend dat hij op 1 november 1838 op 31 jarige leeftijd te Bergen op Zoom in het huwelijk treedt met Joanna Christina Katharina Hartzman. In de archiefstukken van Nes aan de Amstel, die de heer P. van Schaik heeft nageplozen, wordt zijn naam kennelijk niet genoemd. Aannemelijk is dat hij niettemin zijn kinderjaren, toen zijn vader nog leefde en zijn familie nog niet in opspraak was gekomen, in Nes aan de Amstel heeft doorgebracht. Als zijn vader in 1824 komt te overlijden is hij 17 of 18 jaar oud en het kan goed zijn dat hij vanaf dat moment zijn geluk elders is gaan zoeken. Hij heeft het trieste lot van zijn moeder en zijn twee zussen in elk geval niet gedeeld. Mogelijk is hij ze sinds hun vertrek naar Ommerschans geheel uit het oog is verloren.
Nasporingen in archieven in en rond Bergen op Zoom in de periode na 1838 hebben geen enkel gegeven over hem en zijn echtgenote Joanna Hartzman meer opgeleverd. Zij zullen dus waarschijnlijk na hun huwelijk in Bergen op Zoom naar elders vertrokken zijn. Misschien dat nog ooit gegevens over eventuele nakomelingen of over het tijdstip en de plaats van hun overlijden boven water komen.

Last Updated on Febr, 19, 2008 by Th. Storimans
Terug naar de vorige pagina